Spreken over vroeger deed ze niet met hen. Over echte dingen. Over hoe ze waren en waarom ze waren zoals ze waren. Vroeger werd in nevels gehuld. Al de rest hing haar de keel uit. Het gedweep met onnoemenswaardige trivia. Het achterlijke gerelativeer van de ware catastrofes en hoogtepunten. Hun wonden waren enerzijds niet te evenaren en hun zonden anderzijds volkomen gerechtvaardigd. Ze spaarde zich ten slotte de moeite want deze mensen waren gehard door de geest van hun tijd, door hun erfgoed aan nasleep van tegenspoed en mislukking. Het voelde benauwend, als een complot, een geforceerde afleidingsmanoeuvre. Nee! Geschiedvervalsing eerder. Toch hield ze van hen en bloedde haar hart bij de gedachte hen dat voor altijd kwalijk te moeten nemen. Van een ding was ze zeker en dat is dat in het leven de dingen nooit hetzelfde bleven. Dat iedereen werd onderworpen aan een schakelreactie van onstuitbare en onafwendbare verandering. Dat men hier machteloos tegenover staat en dat we worden gevormd door wat de tijd ons gunt of juist niet gunt.
Satie zette het dampende theeglas voor haar op de salontafel. Asminah glimlachte flauw en schoof het glas naar zich toe. Het metaalachtige geluid van de blikken koekjestrommel dat werd geopend klonk vertrouwd. Stapeltjes geurige kokosmacronen en roze glazuurkoeken stelden zich schandelijk tentoon aan het publiek. Een hand graaide een kokoskoek weg en verdween ermee uit haar gezichtsveld. Het was Biram. De hitte buiten begon al aardig het huis binnen te dringen. Mami Satie nam plaats in de rieten stoel en veegde het zweet van haar gezicht met haar schort. Aduh Asmie, zo panas! jammerde ze. Waarom toch jij thee drinken met deze weer? Dit weer, dacht Asminah bijna dwangmatig, ik begrijp niet dat je thee kan drinken met dit weer Mami Satie, maar ze sprak de woorden niet uit. Het deed er ook niet toe. Ze begreep toch immers altijd wat ze zei. Mami Satie kon zich altijd goed uitdrukken al sprak ze alleen haar moedertaal vloeiend en het Nederlands gebrekkig. Asminah dacht bovendien dat het taalkundig verbeteren van Mami Satie enkel averechts zou werken en dat Mami Satie, aanstoot nemend aan het betweterige gedrag van haar kleindochter zich enkel nog van haar moedertaal zou bedienen. In plaats daarvan schopte ze haar slippers uit, gleed in een bijna vloeiende beweging van de bank en installeerde zich in kleermakerszit voor de salontafel, bracht haar lippen tot aan de rand van het glas en blies met korte zuchtjes de damp weg. Ze hield ervan om op de grond te zitten in kleermakerszit, omdat het aangenaam voelde. In de zomer spreidde Mami Satie altijd bamboematjes op het gras buiten. Daar vlijden ze zich dan met zijn allen neer. Zij, Mami Satie, Sonya, Lennie en soms ook opa Bakri en Biram. Al verkozen deze laatste twee veeleer de binnenmuren boven volle zon. Mami Satie neergehurkt, meestal snijbonen snijdend of aardappelen schillend. Asminah in kleermakerszit met de binnenpan van de rijstkoker gevuld met rauwe rijst tussen haar benen, om de rijst te ontdoen van zijn onzuiverheden. Steentjes en stukjes vezel, die ze met haar vingers handig in het gras wipte. Tussendoor turend naar de wolken tot haar ogen pijn begonnen te doen van het zonlicht of tot ze een niesbui kreeg. Als dat gebeurde keek Mami Satie haar van langszij aan en schudde misprijzend het hoofd. Minah, niet naar boven kijken toch, jouw ogen wordt ziek als jij blijven kijken. Waarna Minah haar ogen uitwreef met de rug van haar hand om vervolgens met opengesperde ogen naar Mami Satie te kijken om haar ervan te vergewissen dat alles in orde was. Biram die altijd het voorrecht had de pijp van opa Bakri te stoppen, deze minder verdienstelijke taak bleek alleen de mannen beschoren en bleef haar gelukkig bespaard, gierde het uit. Asminah is gek, Asminah kijkt scheel van de zon. Opa Bakri vond de plagerige uitlatingen van de kleine kwelgeest met bijbehorende mimiek hoogst amusant. Zijn lachsalvo vulde in zulke gevallen meteen de lucht om hen heen en groeide met elke hik en bulderlach. Zo hevig dat Asminah altijd bang was dat plots het onweer zou kunnen uitbreken door zo een bruut geweld. Mami, zeg toch dat ze zich moeten gedragen. Laat maar zeggen dat, jij kent toch, zij zelf zijn gek, suste Mami Satie stug en ging onverstoord verder, het mes ritmisch in haar handen hanterend. Asminah wierp Biram een vernietigende blik, die dat op zijn beurt beantwoordde met een spottende glimlach gepaard met ondeugende fonkeloogjes. Asminah keek gekrenkt naar opa Bakri, waarna die zijn lach onmiddelijk afzwakte alsof de goden het niet meer tolereerden en zijn gezicht volledig terug in de plooi viel. Hij nam de pijp van Biram af en liet het door hem aansteken met een lucifer. Schele gek, grapte Biram nogmaals. Genoeg jij, riep opa Bakri hem streng toe, kneep Biram venijnig in zijn zij en knipoogde naar Asminah. Witte pluimpjes ontsnapten uit zijn mondhoeken. Biram stond op, liep het huis in en kwam even later buiten met een dambord en een houten doosje met schuifdeksel. Zacht geklak van de damstenen op het houten bord en het geritsel van een hand door de rijst waren nog de enige geluiden. De rust was terug gekeerd. Voor de schemer viel werden de matjes opgerold en het gras nog even schoon geharkt. Mami Satie trok de deur achter zich dicht en sloot de avondkilte buiten. Dat was inmiddels lang geleden. Asminah noemde zichzelf geen Asminah meer, maar Mien, Mientje Booghart. De chaotische wereld van Mientje stond in schril contrast met de rust en eenvoud waar ze zich in haar jongere jaren mee getroostte.