Jezus stierf aan het kruis voor de zonden van de mensheid. De stem van de pastoor galmde door de holle akoestiek van de kerk. Het rook er naar hars en leisteen. De ochtendzon drong dikke stoffige stralenbundels in de ruimte die verloren gingen in de zee van kaarslicht. Er waren niet veel bezoekers. De oude man en zijn chaperone Marie, een verpleegster van middelbare leeftijd, zaten op de eerste rij. De tweede rij was leeg. Achterin de kerk werden een dertigtal plaatsen gevuld door vaste kerkgangers. De foto op de tafel naast het altaar had een gouden omlijsting en stond temidden van enkele sobere bloemstukken waar witte lelies in verwerkt waren. De eeuwige doodsbloemen van het uitvaartswezen dacht Berend. Het gezicht van een jongen van een jaar of achttien, vrolijk en onbezorgd, naief zelfs, zoals dat hoort op die leeftijd, prijkte in het zwart wit op de foto. Berend luisterde onbewogen naar de woorden van eerwaarde Filigran. In zijn handen het misboekje nog steeds gesloten terwijl de kerkorgel al de eerste luide noten de zaal injoeg en de kistdragers hun eerste aanstalten maken. Hij was een trots man, die maar moeilijk toegaf aan zijn eigen onfeilbaarheid. Hij geloofde erin, in staat te zijn de wereld naar zijn hand te zetten zonder einge moeite. Vreemd genoeg is hem in het leven nog maar zelden het tegendeel bewezen. Tot voor enkele jaren geleden zijn gezondheid hem in de steek liet. Hij bleef er niettemin jong en krachtig uitzien. Zijn huid was stevig en veerkrachtig, buiten hier en daar wat ouderdomsvlekken maakte dit hem een aantrekkelijke verschijning op zijn leeftijd. Gedistingeerd en toch vriendelijk door de zachtheid van zijn ogen. Hier in deze oude kerk, op dit moment, bracht hij een laatste groet aan zijn laatstgeborene. Berend haalde diep adem, kuchte zijn longen op orde en rees moeizaam overeind terwijl Marie zijn notenhouten wandelstok overhandigde. Hij wierp een blik op de foto. Zijn leeuwenhart bloedde. Hij miste zijn vrouw op dit moment nog het meest. Zijn geliefde Sofia. Ze had hem hier doorheen kunnen helpen, hem de dingen kunnen helpen accepteren, hem kunnen doen inzien dat dit nu precies iets was wat God’s toorn noemde en dat Berend hier volledig buiten stond. Hij kon het zich nog helder voor de geest halen hoe hij dertig jaar geleden op het bordes stond van zijn huis en de gedrevenheid verwenste van de jongeman die woest het portaal uit gestormd was en zich lopend uit de voeten maakte tot hij achter de bomen verdween. Wat beweging achter de rij berkebomen was het laatste beeld aan hem dat de oude man kon bovenhalen. Je bent hier niet meer welkom! was het laatste dat hij hem nog na had kunnen roepen. Het was een titanengevecht geweest. Onverschrokkenheid die gekiemd was uit zijn eigen zaad en uitgegroeid was tot een ontembare gedrevenheid, een brok vurige wilskracht. Een mondhoek trok aarzelend omhoog. Koppigheid noemde men dat in de volksmond. Niettemin was hij zich ervan bewust dat hij het gevecht aanging met een misschien minder ervaren maar evenzo hardnekkige manifestatie en bezieling van zijn eigen karakter. In de tijd die volgde heerste er een bedrukte geslotenheid die nodig was om het gebeurde te verwerken vervolgens af te wijzen en later ook te ontkennen. Het was nooit gebeurd.
Bloedbanden
De trackbackURI naar dit bericht is: http://coconnetje.wordpress.com/2009/10/22/bloedbanden/trackback/