3wg

zoals warmte bevriest

Gepubliceerd in: om november 5, 2009 op 11:29 am  Geef een reactie  
Tags:

Carmelia

Meestal staart ze naar de lucht of naar de grond. Alsof ze ergens op wacht. Je zult zelden haar blik vangen, al kijk je haar recht in haar ogen. Haar blik zal je niet roeren en je zult haar snel vergeten. Ze geeft zich niet graag prijs. Nee, het zal meer kosten dan de tijd die je hebt en die je jezelf..laat staan haar gunt. Zoals jij bent gemaakt van vuur dat geblust is geweest en jou vorm heeft gegeven is zij volledig onaangetast gebleven in haar elementen. Jij bent een samensmelting van de twee elementen. Jij bent uit vloeibaarheid gevormd en gestold tot wat je uiteindelijk bent. Haar buitenkant is gehuld in een dikke korst hard ijs. Koude vriesdampen smeulen zachtjes op haar huid. Haar bleke vale huid, droog en glad. Haar glazige donkere ogen verraden niks meer dan ogenschijnlijke massieve kilte. Doch binnenin haar woedt er ondraaglijk een corona aan hellevuur. Een constante strijd in grensafbakende volharding. Het ijs verzacht niet, noch smelt het. Het vuur bindt niet in aan kracht. Rode tongen van hitte likken aan haar bevroren wanden en schroeien de grenzen van haar pit dicht. ‘s Nachts huilt ze van de pijn, de koude en de hitte. Ze is nooit tevreden. Ze heeft altijd koude voeten, maar houdt het nog geen minuut vol met sokken aan. Ze raakt je hand aan met onvoorstelbare intense innerlijke warmte, maar de oppervlakkige ijzige tederheid doet je je hand terugtrekken en nooit meer opnieuw aanreiken. Haar huid ruikt kruidig zoet, naar bevroren grond en pepers. Haar liefde is dik en geconcentreerd, als stroop, ongedoseerd. Elk verdriet tekent zich als een brandwonde op haar ziel. Haar lippen glanzen mat. Haar uitdrukking troosteloos. Als zij bevallig wordt gevonden juist om die eigenschappen doet haar spreken haar de das om. Zo koud en wit als haar tong ziet, zo vurig zijn haar woorden. Als lava dat onbehouden uit een krater stroomt, maar nooit afkoeling geniet. Toch gloeit ze sterker en intenser dan een ander als ze een moment van geluk beleeft. Ze verlangt naar innerlijke versmelting, naar het stollen van haar lichaam en geest. Ze wil zo graag voelen hoe het is om ook zachtjes te kunnen gloeien, om haar warmte via haar gezicht te kunnen laten spreken in plaats van steeds maar stoicijns met onderhuids de meest heftige vuurstormen door het leven te gaan. Ze is oppervlakkig als een schil, als een laagje rijp, als een onbeweeglijke waterspiegel, maar tegelijk een diepe kolkende ravijn vol lava. Ze voelt zich bodem en oppervlakte tegelijk. Elke oppervlakte is de bodem van iets dieps en elke bodem is de oppervlakte van iets nog diepers. Oppervlakte en bodem bestaan niet, het is oneindig. Ze is koud, strak en zonder plooien, maar ze heeft elan genoeg om alle metaal in de wereld te doen buigen. Ze is eenvoudig een overkill, een overdosis. Je hoeft haar niet te begrijpen, maar ze wil graag dat je haar leert kennen zoals ze is. En dat is dat zij is zoals zij is. Gebrandmerkt voor het leven.

Gepubliceerd in: om oktober 22, 2009 op 9:29 pm  Geef een reactie  
Tags:

Ik doemdacht

Ken je dat? Dat je jezelf afvraagt of de wereld gek is geworden? Alsof je heel lang in een glazen bol rond hebt gezweefd. Een bol die alleen invloeden, zowel goede als slechte, laat doordringen. Een sfeer die je gecreëerd hebt die een bepaalde inmenging toelaat in je leven die enigszins welkom is of met andere woorden, die je kunt verteren. Je hebt alles onder controle, al heb je dat gevoel niet altijd even sterk en sta je er nooit goed bij stil waarom, je gedraagt je er zo goed als mogelijk naar. De glazen bol is teer, maar biedt desondanks goede bescherming. Er is evenwicht. Na regen komt zonneschijn en na zonneschijn een storm en daarna misschien wel.. een regenboog? Het is het ritme van het leven en dood, voorspoed en tegenslag. Tot dat de dingen langzaam veranderen. Jouw perceptie van het leven. Je beoordelingsvermogen. Opeens voelt alles nieuw en vreemd aan, want je hebt nooit aan het leven getwijfeld zoals die jou is gegeven. Klein en vertrouwd, maar met mogelijkheden. Als er af en toe iets niet klopt dan is dat gewoon zo. Want zoals we weten is het leven nu eenmaal niet volmaakt. Dat nam je voor lief. Dankzij ons grote relativeringsvermogen kunnen we ons vaak goed aanpassen aan omstandigheden die van bepaalde invloed zijn. Voor sommigen blijven deuren voor altijd gesloten, maar niet voor jou. De keuze was aan jou. Dat dacht je. Zaken die zich aandienen in verschillende mogelijkheden worden omschreven als keuzes. Vergelijk het met een grote pot vol koekjes. Je kunt er alleen maar uithalen wat er ooit in gestopt is geweest. Al lijken de mogelijkheden nog zo divers. Mogelijkheden zijn nooit onbeperkt. Op een dag is de koek gewoon op. Controle is een illusie is, iets wat men zich aanmatigt in tijden van voorspoed en overvloed. Waarom? Omdat mensen zich nu eenmaal dingen voorhouden, graag dingen veinzen. De een is er alleen handiger in dan de ander. Dat is het verschil. Het hele bewustwordingsproces van naïeve toeschouwer die alles maar voor lief neemt tot helder kijkend individu met een gezond besef zorgt ervoor dat de glazen bol waarin men verkeert een sterk absorptievermogen krijgt. Het moment dat je beseft dat de wereld inderdaad gek is geworden en dat er geen ontkomen aan is, is het moment dat de glazen bol in duizend stukken breekt. Het moment van overgave. Vrij van onwetendheid is helaas ook bewust zijn van je kwetsbaarheid. Iemand zei ooit tegen me. Je moet ooit de bodem hebben geraakt voordat je de reis terug naar boven als volwaardig kunt beschouwen. Ik ben het daarmee eens. Hoe kan je anders geluk beleven? Geluk beleven is iets anders dan geluk ervaren. Geluk ervaar je in een plotse meevaller, geluk beleven is geluk respecteren. Begrijpen waar het vandaan komt, waar het huist. Omzetten in energie en als stuwkracht gebruiken in plaats van verloren laten gaan, omdat het eerder als een tijdelijke gemoedstoestand wordt ondergaan. Het begrijpen van geluk in geduld en niet met gemakzucht. Wij mensen hebben altijd en overal een verklaring voor, we willen weten en als we niet weten dan bepalen we. We hebben een ziekelijke bepalingsdrang. Een grotesk verlangen om alles maar te duiden in het leven. Het verlangen om aan alles een betekenis te geven, dat dat opgeven staat gelijk als jezelf met de ogen dicht in een diep en donker gat te laten vallen.

De wereld is gek geworden om me heen. Het is moeilijk sommige dingen de ruimte te geven in mijn gedachten. Ik wil ze het liefst stevig vastpinnen zodat ik zeker weet dat ze niet meer van hun plaats komen, maar ik weet dat ik daar geen macht op kan uitoefenen. Zo lijkt mijn hoofd soms een groot kurken bord die helemaal geel ziet van de post-its. Laag boven laag. Over alles wat ik niet wil vergeten of wat ik ooit verder zou willen uitspitten. Alles wat ook maar enigszins een beetje mijn aandacht verdient. Ze overwoekeren elkaar. Duwen elkaar van hun plek, van tijd tot tijd vallen ze als dode bladeren van het bord. En het houdt maar niet op.

Oja, niet te veel nadenken over de dingen, maar blijf alles in vraag stellen.

Gepubliceerd in: om oktober 22, 2009 op 9:09 pm  Geef een reactie  
Tags:

Zilverberg

Ik zit alleen, aan de voet van een berg. Met mijn ogen dichtgeknepen in foetushouding. Mijn kaken stijf op elkaar geperst. Mijn ogen zijn troebel. Mijn maag hol. Ik heb het erg koud. Ik voel dat ik bibber, maar ik denk, als ik maar heel stil blijf liggen, dan overkomt me niets. De berg is breed, hoog en steil. De schaduw van de berg, monsterlijk, groot, koud en gitzwart, omvangrijk weids en leeg, het is mijn thuis. Ik heb geen kracht om mijzelf uit de schaduw te bevrijden. Laat staan de berg te trotseren. Jij wijkt van je pad en loopt haast blindelings naar me toe. Je knielt bij me neer, kust mijn ogen (ik open ze), kust mijn handen (ik reik ze) en helpt me met zachte hand overeind. Wat onwennig en onhandig geef ik me aan je over. Ik vertrouw je blind. In de schaduw kan ik je niet zien. Ik voel alleen de warmte van jouw hand in de mijne. Ik hou je vast, stevig en met beide handen terwijl ik je schoorvoetend volg. Dan loop ik daar zomaar in het felle licht, samen met jou op een pad, lang, steil en bergopwaarts. In het begin wat angstig, onzeker..je kijkt een paar keer om en knikt..ik glimlach weer voorzichtig. Ik schenk je mijn vertrouwen. Jij koestert dat. Het pad lijkt oneindig lang te zijn. Ik probeer maat met je te houden en wijk niet van je zijde. Je maakt een grapje. Ik lach erom. Je klemt je armen om mijn middel. Mijn voeten verliezen hun contact met de grond. Met een grote zwaai til je me op en draai je me in de rondte. Ik voel je hoofd tegen mijn schouder. Je warme adem in mijn nek, je hijgt zachtjes en fluistert..kijk eens? Dan harder..Saskia..Zie je?! Ik kijk. En ik zie. Ik herken alle mooie dingen om me heen. Ik zie ze weer. Mijn ogen glanzen opnieuw. Dan land ik weer op het pad met mijn neus richting de berg en we vervolgen samen onze weg. Vanaf toen heb ik je in mijn hart gesloten weet ik. Onderweg klimmen we boompje. We lachen. Dan stoppen we even. Je kijkt me aan. Ik volg je ogen als in een hypnose. En we knielen samen neer bij een grote oude steen. De steen is wit met grijs en geaderd, ruw en koud. Er staat iets in gegrift. Tekens van een oeroude nog nooit gesproken maar reeds lang vergeten taal. De taal van moeder aarde, de wereld, de natuur. Maar toch is het op een of andere manier leesbaar voor me. Magisch. Mystiek. Ik lees. Ik besef. Ik lees jouw verhaal. Je laat je vingers er over glijden en bepaalt zo mijn leestempo. Dan houd je plots op. Ik kijk van de steen naar jou en van jou naar de steen. Ik zie ineens dat daar waar jij je teruggetrokken hebt zich onafgebroken nieuwe tekens vormen alsof een onzichtbare steenhouwer zich ter plekke ongevraagd te werk heeft gesteld. Het voelt wederom magisch. Een lichte siddering bekruipt me. Het verhaal gaat verder. Waarom? Je was toch al klaar? Ik kijk je vragend aan, maar je haalt je schouders op. Ik kijk met verwondering toe hoe de tekens zich in de steen vormen. Jij kijkt eveneens alsof je water ziet branden. Het verhaal breidt zich uit. Ik knipper met mijn ogen en tracht verder te lezen. De steen vertelt over mij. Ik knijp mijn ogen dicht. Ongeloof. De jouwe glanzen voorzichtig, maar ik word bang. Ik leg mijn handen op de steen om het te laten stoppen, maar de tekens blijven zich vormen. Een voor een en steeds sneller. De steen vonkt. Ik trek mijn handen terug als door een slang gebeten. Toen was daar die uitbraak. Uit het niets. Die oerknal. Oorverdovend. Ik wankel. Mijn nekharen staan recht overeind en ik kijk je verschrikt aan. Ik zie enkel je grote verbaasde ogen en probeer mijn balans te hervinden. Ik weet dat als ik je aan blijf kijken ik vanzelf weer recht ga lopen. Je blijft doodstil staan tot het mij lukt, dan verzucht je opgelucht. Jij bent ook geschrokken en weet je even geen houding te geven. Je snuift de berglucht diep in en vraagt je af of het wel zo’n goed idee was om met mij meteen die berg op te gaan.. Je kijkt nogmaals over je schouder en onderzoekt me met lichtelijk wantrouwende blik om te zien of ik hoe dan ook enigermate gekrenkt zou kunnen zijn. Nochtans lijkt het of ik alles weer vergeten ben, ik haal je in en loop weer naast je, fier en zeker. Ik ben uitgelaten en ik dans. De top van de berg is onbeschrijflijk mooi in mijn gedachte. Zilverkleurig glinsterend, spierwit en licht. Waar je overdag in alle euforie word verwarmd door zonnestralen als warme kussen, bemoedigende schouderklopjes, begripvolle blikken, vertrouwde omhelzingen, liefkozende handen die met je haren spelen, kortom alle gebaren die de belofte van iets onvoorwaardelijks uitspreken. Diepte. Diepgang. Onbeschreven. Onbeschrijflijk. Onmeetbaar diep. En waar je bij nachte betoverd wordt door de aanblik van de maan. Zus maan die iedere maand bevalt van magische kinderen. Is zij onze moeder? De top van de berg moet zo voelen. Jij weet het volgens mij. Alleen je bent er nog nooit samen met mij geweest. Mij. Ik. Die wildvreemde die je aan de voet van de berg uit de schaduw hebt geholpen en nu aan het handje mee naar de top van de berg voert. Bij elke stap stijgt hoopvol mijn verwachting. Je pakt mijn hand en trekt me mee. We rennen. Moeizaam maar toch. We rennen en ik kijk je hoopvol aan. Het voelt alsof ik vlieg. Je kijkt terug, vriendelijk maar je blik verwildert naarmate we harder rennen. Een vreemde sensatie. Het voelt raar. Ik wil dat je vaart mindert. Langzaam gaan we over in looppas. Waar blijft hij nou? Ik zie hem niet. De top. Hij is nog zo ver weg. Toch vertrouw ik erop dat hij net zo mooi zal zijn als in een droom. Zo mooi dat ik weet dat het me ook veel pijn gaat doen. Wat als ik schrik van zoveel moois en goeds. Wat als ik het niet begrijp? In mijn enthousiasme kan ik de wereld aan tot de wereld zich aan mij openbaart, wat dan? Wat als ik verblind zal worden door de zon, zijn liefkozingen misinterpreteer, afwijs. Zal hij dan zijn zonnestralen verbannen uit mijn hart? Zal de deur naar mijn hart gesloten blijven voor zijn liefde? Wat als ik wel wil, met heel mijn ziel en zaligheid zo graag wil, maar de deur klemt. Wat als door het opentrekken de roestige scharnieren zullen gaan draaien en het vuil van de roestige scharnieren mijn hart zal infecteren of..de roest mijn geest zal vergiftigen. Wat dan? En dan heb ik het nog niet over zus maan. Zal zij mij wel erkennen? Zal ik haar erkennen? Kent zij mij? Als ik niet beken, zal ik dan haar toorn over mij afroepen? Zal ze met razernij dreigen? Zal ze tot razernij neigen? Ze is mijn moeder..jij bent mijn broer. Samen kunnen we het goed hebben. Wat denk je? Zullen we het samen goed maken? Te veel vragen te weinig antwoorden. Blinde paniek maakt zich van mij meester, overmant mij. Mijn hoofd tolt. De wereld om mij heen tolt voor mijn ogen. De berg begint te beven. De berg leest gedachten, is tolerant en genadig. Maar het voelt mijn paniek. De berg walgt van mijn minderwaardigheid. De berg voelt mijn ontrouw. En voelt zich verraden. Dan volgt er een donderend geraas. Stof waait op. Steen vergruist. Storm woedt. Het pad versplintert voor onze beider ogen. Je kijkt om en roept naar me. Ik hoor je wel maar ik kan je niet meer zien. Je bent te ver weg ineens. De grond schudt en beeft onder mij. Ik kan me niet meer staande houden en verlies mijn evenwicht. Terwijl ik de grond raak schiet ik volautomatisch in de foetushouding. Ik ben bang. Ik huil. Dan is het weer rustig. De lucht raakt verzadigd door het stof en hult alles in een dichte ondoordringbare nevel. Ik kom langzaam omhoog. Ik roep naar jou. Je roept terug. We horen elkaar. Dan hoor ik een kreet. Gesmoord. Jij bent het. Het klinkt..onnatuurlijk..alsof je heel veel pijn hebt, maar niet verrast bent erdoor. De nevel lost langzaam op en wat ik zie voel ik en wat ik voel zie ik en het zicht alsmede het gevoel gaan door merg en been. Het pad is weggeslagen. Precies onder jou en boven mij. Het midden voert naar ijzingwekkende diepten. De kloof is gemaakt. De wanden lijken wel van ijzer. Ijzeren kloofwanden. Ik zie een glinstering erin en besef meteen dat ik de bergtop nooit zal meemaken. Ik zie je kijken. Je kijkt ondraaglijk teleurgesteld. Je ogen zijn vochtig. Ik kan ze zien glimmen. Je bijt op je lippen en balt je vuisten. Ik zak door mijn knieen en en begin onbedaarlijk te huilen. Ik huil om het verlies van de liefdevolle zon met zijn goede bedoelingen, om zus maan die mij nooit zal betoveren of..toornen. Maar vooral om jou. Jij die mijn ogen gekust heeft, zodat ik ze weer kon openen, mijn handen gekust heeft zodat ik ze weer kon reiken. Jij die mij voorging in de duisternis die ik mijn thuis noemde. Jij die de weg leidde naar de mooie witte bergtop die zo mooi zou zijn als in een droom. Een droom zo fragiel als het dunste glas. Doodstil. Knal. Gerinkel. Ik houd mijn handen tegen mijn oren om het niet te horen. Maar de scherven raken mijn ziel. Treffen me midden in het hart. Ik schreeuw het uit. Mijn geschreeuw gaat over in jammerend gesnik en ongecontroleerd kokhalzen. Ik walg van mezelf. Ik walg van mijn ontrouw. Ik hoor jouw stem in mijn hoofd. Opstaan! Nu! Mijn hele lichaam beeft. Ik sta op en kijk omhoog. Je bent weg. En toch hoor ik je. Waarom kan ik je niet meer zien dan? Alle geluid verstomd. De berg, jij.. Verslagenheid bezorgt me enige apathie. Verdwaasd draai ik me om. Gevolgd door jouw blik daal ik de berg weer af. Een traan glijdt over mijn schrale wang. In gedachten streel ik je gezicht en kus ik je. Vergeef me. Vergeef me mijn minderwaardigheid, mijn twijfels, mijn angst en mijn ontrouw..mijn zwaktes.

Gepubliceerd in: om oktober 22, 2009 op 8:01 pm  Geef een reactie  

Bloedbanden

Jezus stierf aan het kruis voor de zonden van de mensheid. De stem van de pastoor galmde door de holle akoestiek van de kerk. Het rook er naar hars en leisteen. De ochtendzon drong dikke stoffige stralenbundels in de ruimte die verloren gingen in de zee van kaarslicht. Er waren niet veel bezoekers. De oude man en zijn chaperone Marie, een verpleegster van middelbare leeftijd, zaten op de eerste rij. De tweede rij was leeg. Achterin de kerk werden een dertigtal plaatsen gevuld door vaste kerkgangers. De foto op de tafel naast het altaar had een gouden omlijsting en stond temidden van enkele sobere bloemstukken waar witte lelies in verwerkt waren. De eeuwige doodsbloemen van het uitvaartswezen dacht Berend. Het gezicht van een jongen van een jaar of achttien, vrolijk en onbezorgd, naief zelfs, zoals dat hoort op die leeftijd, prijkte in het zwart wit op de foto. Berend luisterde onbewogen naar de woorden van eerwaarde Filigran. In zijn handen het misboekje nog steeds gesloten terwijl de kerkorgel al de eerste luide noten de zaal injoeg en de kistdragers hun eerste aanstalten maken. Hij was een trots man, die maar moeilijk toegaf aan zijn eigen onfeilbaarheid. Hij geloofde erin, in staat te zijn de wereld naar zijn hand te zetten zonder einge moeite. Vreemd genoeg is hem in het leven nog maar zelden het tegendeel bewezen. Tot voor enkele jaren geleden zijn gezondheid hem in de steek liet. Hij bleef er niettemin jong en krachtig uitzien. Zijn huid was stevig en veerkrachtig, buiten hier en daar wat ouderdomsvlekken maakte dit hem een aantrekkelijke verschijning op zijn leeftijd. Gedistingeerd en toch vriendelijk door de zachtheid van zijn ogen. Hier in deze oude kerk, op dit moment, bracht hij een laatste groet aan zijn laatstgeborene. Berend  haalde diep adem, kuchte zijn longen op orde en rees moeizaam overeind terwijl Marie zijn notenhouten wandelstok overhandigde. Hij wierp een blik op de foto. Zijn leeuwenhart bloedde. Hij miste zijn vrouw op dit moment nog het meest. Zijn geliefde Sofia. Ze had hem hier doorheen kunnen helpen, hem de dingen kunnen helpen accepteren, hem kunnen doen inzien dat dit nu precies iets was wat God’s toorn noemde en dat Berend hier volledig buiten stond. Hij kon het zich nog helder voor de geest halen hoe hij dertig jaar geleden op het bordes stond van zijn huis en de gedrevenheid verwenste van de jongeman die woest het portaal uit gestormd was en zich lopend uit de voeten maakte tot hij achter de bomen verdween. Wat beweging achter de rij berkebomen was het laatste beeld aan hem dat de oude man kon bovenhalen. Je bent hier niet meer welkom! was het laatste dat hij hem nog na had kunnen roepen. Het was een titanengevecht geweest. Onverschrokkenheid die gekiemd was uit zijn eigen zaad en uitgegroeid was tot een ontembare gedrevenheid, een brok vurige wilskracht. Een mondhoek trok aarzelend omhoog. Koppigheid noemde men dat in de volksmond. Niettemin was hij zich ervan bewust dat hij het gevecht aanging met een  misschien minder ervaren maar evenzo hardnekkige manifestatie en bezieling van zijn eigen karakter. In de tijd die volgde heerste er een bedrukte geslotenheid die nodig was om het gebeurde te verwerken vervolgens af te wijzen en later ook te ontkennen. Het was nooit gebeurd.

Gepubliceerd in: om oktober 22, 2009 op 7:51 pm  Geef een reactie  
Tags: , ,

Maalstenen

Spreken over vroeger deed ze niet met hen. Over echte dingen. Over hoe ze waren en waarom ze waren zoals ze waren. Vroeger werd in nevels gehuld. Al de rest hing haar de keel uit. Het gedweep met onnoemenswaardige trivia. Het achterlijke gerelativeer van de ware catastrofes en hoogtepunten. Hun wonden waren enerzijds niet te evenaren en hun zonden anderzijds volkomen gerechtvaardigd. Ze spaarde zich ten slotte de moeite want deze mensen waren gehard door de geest van hun tijd, door hun erfgoed aan nasleep van tegenspoed en mislukking. Het voelde benauwend, als een complot, een geforceerde afleidingsmanoeuvre. Nee! Geschiedvervalsing eerder. Toch hield ze van hen en bloedde haar hart bij de gedachte hen dat voor altijd kwalijk te moeten nemen. Van een ding was ze zeker en dat is dat in het leven de dingen nooit hetzelfde bleven. Dat iedereen werd onderworpen aan een schakelreactie van onstuitbare en onafwendbare verandering. Dat men hier machteloos tegenover staat en dat we worden gevormd door wat de tijd ons gunt of juist niet gunt.

Satie zette het dampende theeglas voor haar op de salontafel. Asminah glimlachte flauw en schoof  het glas naar zich toe. Het metaalachtige geluid van de  blikken koekjestrommel dat werd geopend klonk vertrouwd. Stapeltjes geurige kokosmacronen en roze glazuurkoeken stelden zich schandelijk tentoon aan het publiek. Een hand graaide een kokoskoek weg en verdween ermee uit haar gezichtsveld. Het was Biram. De hitte buiten begon al aardig het huis binnen te dringen. Mami Satie nam plaats in de rieten stoel en veegde het zweet van haar gezicht met haar schort. Aduh Asmie, zo panas! jammerde ze. Waarom toch jij thee drinken met deze weer? Dit weer, dacht Asminah bijna dwangmatig, ik begrijp niet dat je thee kan drinken met dit weer Mami Satie, maar ze sprak de woorden niet uit. Het deed er ook niet toe. Ze begreep toch immers altijd wat ze zei. Mami Satie kon zich altijd goed uitdrukken al sprak ze alleen haar moedertaal vloeiend en het Nederlands gebrekkig. Asminah dacht bovendien dat het taalkundig verbeteren van Mami Satie enkel averechts zou werken en dat Mami Satie, aanstoot nemend aan  het betweterige gedrag van haar kleindochter zich enkel nog van haar moedertaal zou bedienen. In plaats daarvan schopte ze haar slippers uit, gleed in een bijna vloeiende beweging van de bank en installeerde zich in kleermakerszit voor de salontafel, bracht haar lippen tot aan de rand van het glas en blies met korte zuchtjes de damp weg. Ze hield ervan om op de grond te zitten in kleermakerszit, omdat het aangenaam voelde. In de zomer spreidde Mami Satie altijd bamboematjes op het gras buiten. Daar vlijden ze zich dan met zijn allen neer. Zij, Mami Satie, Sonya, Lennie en soms ook opa Bakri en Biram. Al verkozen deze laatste twee veeleer de binnenmuren boven volle zon. Mami Satie neergehurkt, meestal snijbonen snijdend of aardappelen schillend. Asminah in kleermakerszit met de binnenpan van de rijstkoker gevuld met rauwe rijst tussen haar benen, om de rijst te ontdoen van zijn onzuiverheden. Steentjes en stukjes vezel, die ze met haar vingers handig in het gras wipte. Tussendoor turend naar de wolken tot haar ogen pijn begonnen te doen van het zonlicht of tot ze een niesbui kreeg. Als dat gebeurde keek Mami Satie haar van langszij aan en schudde misprijzend het hoofd. Minah, niet naar boven kijken toch, jouw ogen wordt ziek als jij blijven kijken. Waarna Minah haar ogen uitwreef met de rug van haar hand om vervolgens met opengesperde ogen naar Mami Satie te kijken om haar ervan te vergewissen dat alles in orde was. Biram die altijd het voorrecht had de pijp van opa Bakri te stoppen, deze minder verdienstelijke taak bleek alleen de mannen beschoren en bleef haar gelukkig bespaard, gierde het uit. Asminah is gek, Asminah kijkt scheel van de zon. Opa Bakri vond de plagerige uitlatingen van de kleine kwelgeest met bijbehorende mimiek hoogst amusant. Zijn lachsalvo vulde in zulke gevallen meteen de lucht om hen heen en groeide met elke hik en bulderlach. Zo hevig dat Asminah altijd bang was dat plots het onweer zou kunnen uitbreken door zo een bruut geweld. Mami, zeg toch dat ze zich moeten gedragen. Laat maar zeggen dat, jij kent toch, zij zelf zijn gek, suste Mami Satie stug en ging onverstoord verder, het mes ritmisch in haar handen hanterend. Asminah wierp Biram een vernietigende blik, die dat op zijn beurt beantwoordde met een spottende glimlach gepaard met ondeugende fonkeloogjes. Asminah keek gekrenkt naar opa Bakri, waarna die zijn lach onmiddelijk afzwakte alsof de goden het niet meer tolereerden en zijn gezicht volledig terug in de plooi viel. Hij nam de pijp van Biram af en liet het door hem aansteken met een lucifer. Schele gek, grapte Biram nogmaals. Genoeg jij, riep opa Bakri hem streng toe, kneep Biram venijnig in zijn zij en knipoogde naar Asminah. Witte pluimpjes ontsnapten uit zijn mondhoeken. Biram stond op, liep het huis in en kwam even later buiten met een dambord en een houten doosje met schuifdeksel. Zacht geklak van de damstenen op het houten bord en het geritsel van een hand door de rijst waren nog de enige geluiden. De rust was terug gekeerd. Voor de schemer viel werden de matjes opgerold en het gras nog even schoon geharkt. Mami Satie trok de deur achter zich dicht en sloot de avondkilte buiten. Dat was inmiddels lang geleden. Asminah noemde zichzelf geen Asminah meer, maar Mien, Mientje Booghart. De chaotische wereld van Mientje stond in schril contrast met de rust en eenvoud waar ze zich in haar jongere jaren mee getroostte.

Gepubliceerd in: om oktober 22, 2009 op 7:45 pm  Geef een reactie  
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.